kast
zelfstandig naamwoord, werkwoord kɑstBetekenis
- een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
- een televisietoestel (meestal als verkleinwoord: kastje)
- gevangenis
- een groot gebouw
- kerst; de periode van kerstavond tot en met tweede kerstdag
Hoe spreek je kast uit?
/kɑst/
Kast bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kasten | meervoud |
| kastje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kastjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kassen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kassen
- gebiedende wijs meervoud van kassen
Vervoeging van kast
kasthele werkwoord
Herkomst
Ontwikkeld uit Middelnederlands caste "korenschuur, voorraadschuur", ontleend aan Duits Kasten (in het Nederlands opgevat als mv), in de betekenis van "opbergmeubel" voor het eerst aangetroffen in 1662.
Woordfamilie van kast
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kastje | verkleinwoord | kast |
| kastjes | verkleinwoord meervoud | kast |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kast zijn vastgelegd.