vastliggen
werkwoordBetekenis
- ergens aan bevestigd zijn
- geregistreerd zijn, bepaald zijn
Vervoeging van vastliggen
vastliggenhele werkwoord — lag vastverleden tijd enkelvoud — lagen vastverleden tijd meervoud — vastgelegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lig vast | lag vast |
| jij | ligt vast | laagt vast |
| hij, zij, het | ligt vast | lag vast |
| wij | liggen vast | lagen vast |
| jullie | liggen vast | lagen vast |
| zij | liggen vast | lagen vast |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vastgelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vastgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vastgelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vastgelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vastgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vastgelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vastgelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vastgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vastgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vastgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vastgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lag vast | verleden tijd |
| lig vast | gebiedende wijs |
| te hebben vastgelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vastliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te liggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen liggen | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult liggen | bijzin, toekomende tijd |
| vastgelegen | verleden tijd, deelwoord |
| vastgelegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgelegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastlaagt | bijzin, verleden tijd |
| vastlag | bijzin, verleden tijd |
| vastlagen | bijzin, verleden tijd |
| vastlig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastliggend | onvoltooid, deelwoord |
| vastligt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal vastgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vastliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zou vastgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vastliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vastliggen vast zou(dt) liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vastliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vastliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vastgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vastliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult vastgelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vastliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vastliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal vastliggen vast zult/zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vast en liggen
Woordfamilie van vastliggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lag vast | verleden tijd | vastliggen |
| lagen vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vastliggen |
| lig vast | gebiedende wijs | vastliggen |
| ligge vast | woordvorm | vastliggen |
| liggen vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vastliggen |
| ligt vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vastliggen |
| vastgelegen | voltooid deelwoord | vastliggen |
| vastlag | subordinate-clause, verleden tijd | vastliggen |
| vastlagen | subordinate-clause, verleden tijd | vastliggen |
| vastlig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastliggen |
| vastligge | with-subordinate-clause | vastliggen |
| vastliggend | onvoltooid deelwoord | vastliggen |
| vastliggende | woordvorm | vastliggen |
| vastligt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastliggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastliggen zijn vastgelegd.