Naar de inhoud

vastliggen

ergens aan bevestigd zijn

vastliggen

werkwoord

Betekenis

  1. ergens aan bevestigd zijn
  2. geregistreerd zijn, bepaald zijn

Vervoeging van vastliggen

vastliggenhele werkwoord — lag vastverleden tijd enkelvoud — lagen vastverleden tijd meervoud — vastgelegenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lig vast lag vast
jij ligt vast laagt vast
hij, zij, het ligt vast lag vast
wij liggen vast lagen vast
jullie liggen vast lagen vast
zij liggen vast lagen vast
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had vastgelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgelegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgelegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgelegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgelegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lag vast verleden tijd
lig vast gebiedende wijs
te hebben vastgelegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te liggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal liggen bijzin, toekomende tijd
vast zou liggen bijzin, voorwaardelijk
vast zouden liggen bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt liggen bijzin, voorwaardelijk
vast zullen liggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen liggen bijzin, toekomende tijd
vast zult liggen bijzin, toekomende tijd
vastgelegen verleden tijd, deelwoord
vastgelegen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgelegen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastlaagt bijzin, verleden tijd
vastlag bijzin, verleden tijd
vastlagen bijzin, verleden tijd
vastlig bijzin, tegenwoordige tijd
vastliggend onvoltooid, deelwoord
vastligt bijzin, tegenwoordige tijd
zal vastgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastliggen bijzin, toekomende tijd
zou vastgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastliggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vastliggen vast zou(dt) liggen bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastliggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgelegen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastliggen bijzin, voorwaardelijk
zullen vastgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastliggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vastliggen bijzin, toekomende tijd
zult vastgelegen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vastliggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vastliggen bijzin, toekomende tijd
zult/zal vastliggen vast zult/zal liggen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vast en liggen

Woordfamilie van vastliggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
lag vast verleden tijd vastliggen
lagen vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vastliggen
lig vast gebiedende wijs vastliggen
ligge vast woordvorm vastliggen
liggen vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastliggen
ligt vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vastliggen
vastgelegen voltooid deelwoord vastliggen
vastlag subordinate-clause, verleden tijd vastliggen
vastlagen subordinate-clause, verleden tijd vastliggen
vastlig subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastliggen
vastligge with-subordinate-clause vastliggen
vastliggend onvoltooid deelwoord vastliggen
vastliggende woordvorm vastliggen
vastligt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastliggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastliggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vastliggen

Wat betekent vastliggen?
Vastliggen is een werkwoord. Het woord betekent: ergens aan bevestigd zijn. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je vastliggen?
Je vervoegt vastliggen als volgt: het voltooid deelwoord is vastgelegen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastliggen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. L 3
  6. I 1
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastliggen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. L 3
  6. I 2
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastliggen in het kort

vastliggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van vastliggen zijn 47 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vastliggen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vastliggen: ergens aan bevestigd zijn
Deel vastliggen — standaardnederlands.nl