Naar de inhoud

vastbakken

door bakken (aan de pan) vast komen te zitten, aanbakken

vastbakken

werkwoord

Betekenis

  1. door bakken (aan de pan) vast komen te zitten, aanbakken

Vervoeging van vastbakken

vastbakkenhele werkwoord — bakte vastverleden tijd enkelvoud — bakten vastverleden tijd meervoud — vastgebakkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bak vast bakte vast
jij bakt vast bakte vast
hij, zij, het bakt vast bakte vast
wij bakken vast bakten vast
jullie bakken vast bakten vast
zij bakken vast bakten vast
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bak vast gebiedende wijs
bakte vast verleden tijd
ben vastgebakken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vastgebakken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is vastgebakken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vastgebakken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn vastgebakken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastbakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te bakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen bakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal bakken bijzin, toekomende tijd
vast zou bakken bijzin, voorwaardelijk
vast zouden bakken bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt bakken bijzin, voorwaardelijk
vast zullen bakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen bakken bijzin, toekomende tijd
vast zult bakken bijzin, toekomende tijd
vastbak bijzin, tegenwoordige tijd
vastbakkend onvoltooid, deelwoord
vastbakt bijzin, tegenwoordige tijd
vastbakte bijzin, verleden tijd
vastbakten bijzin, verleden tijd
vastgebakken verleden tijd, deelwoord
vastgebakken te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgebakken zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart vastgebakken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgebakken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vastgebakken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgebakken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vastgebakken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vastgebakken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vastgebakken voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastbakken bijzin, toekomende tijd
zal vastgebakken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgebakken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgebakken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn vastgebakken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn vastgebakken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vastgebakken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vastgebakken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vastgebakken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastbakken bijzin, voorwaardelijk
zou vastgebakken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgebakken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgebakken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) vastbakken vast zou(dt) bakken bijzin, voorwaardelijk
zouden vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastbakken bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgebakken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgebakken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgebakken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastbakken bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgebakken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen vastbakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen vastbakken bijzin, toekomende tijd
zullen vastgebakken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgebakken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgebakken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult vastbakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult vastbakken bijzin, toekomende tijd
zult vastgebakken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal vastbakken vast zult/zal bakken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van vast bw en bakken ww

Woordfamilie van vastbakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bak vast gebiedende wijs vastbakken
bakke vast woordvorm vastbakken
bakken vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastbakken
bakt vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vastbakken
bakte vast verleden tijd vastbakken
bakten vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vastbakken
vastbak subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastbakken
vastbakke with-subordinate-clause vastbakken
vastbakkend onvoltooid deelwoord vastbakken
vastbakkende woordvorm vastbakken
vastbakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastbakken
vastbakte subordinate-clause, verleden tijd vastbakken
vastbakten subordinate-clause, verleden tijd vastbakken
vastgebakken voltooid deelwoord vastbakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastbakken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vastbakken

Wat betekent vastbakken?
Vastbakken is een werkwoord. Het woord betekent: door bakken (aan de pan) vast komen te zitten, aanbakken.
Hoe vervoeg je vastbakken?
Je vervoegt vastbakken als volgt: het voltooid deelwoord is vastgebakken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastbakken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. B 3
  6. A 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastbakken levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. B 4
  6. A 1
  7. K 3
  8. K 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastbakken in het kort

vastbakken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van vastbakken zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vastbakken bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vastbakken: door bakken (aan de pan) vast komen te zitten, aanbakken
Deel vastbakken — standaardnederlands.nl