Naar de inhoud

vasthouden

beletten dat iets losgaat

vasthouden

werkwoord

Betekenis

  1. beletten dat iets losgaat

Vervoeging van vasthouden

vasthoudenhele werkwoord — hield vastverleden tijd enkelvoud — hielden vastverleden tijd meervoud — vastgehoudenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hou vast hield vast
jij houdt vast hield vast
hij, zij, het houdt vast hield vast
wij houden vast hielden vast
jullie houden vast hielden vast
zij houden vast hielden vast
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vastgehouden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vastgehouden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vastgehouden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vastgehouden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vastgehouden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vastgehouden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vastgehouden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vastgehouden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vastgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hield vast verleden tijd
hou vast gebiedende wijs
houd vast gebiedende wijs
is vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben vastgehouden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vasthouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te houden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal houden bijzin, toekomende tijd
vast zou houden bijzin, voorwaardelijk
vast zouden houden bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt houden bijzin, voorwaardelijk
vast zullen houden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen houden bijzin, toekomende tijd
vast zult houden bijzin, toekomende tijd
vastgehouden verleden tijd, deelwoord
vastgehouden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgehouden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgehouden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgehouden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgehouden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgehouden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgehouden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgehouden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgehouden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgehouden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vasthield bijzin, verleden tijd
vasthielden bijzin, verleden tijd
vasthou bijzin, tegenwoordige tijd
vasthoud bijzin, tegenwoordige tijd
vasthoudend onvoltooid, deelwoord
vasthoudt bijzin, tegenwoordige tijd
waart vastgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vastgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vastgehouden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vastgehouden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vastgehouden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vastgehouden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal vastgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vastgehouden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgehouden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vasthouden bijzin, toekomende tijd
zijn vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vastgehouden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vastgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vasthouden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vasthouden vast zou(dt) houden bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vasthouden bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgehouden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgehouden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vasthouden bijzin, voorwaardelijk
zullen vastgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgehouden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastgehouden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgehouden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgehouden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgehouden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vasthouden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vasthouden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon

Herkomst

samenstelling van vast en houden

Woordfamilie van vasthouden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
hield vast verleden tijd vasthouden
hielden vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vasthouden
hou vast gebiedende wijs vasthouden
houd vast gebiedende wijs vasthouden
houde vast woordvorm vasthouden
houden vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vasthouden
houdt vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vasthouden
vastgehouden voltooid deelwoord vasthouden
vasthield subordinate-clause, verleden tijd vasthouden
vasthielden subordinate-clause, verleden tijd vasthouden
vasthou subordinate-clause, tegenwoordige tijd vasthouden
vasthoud subordinate-clause, tegenwoordige tijd vasthouden
vasthoude with-subordinate-clause vasthouden
vasthoudt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vasthouden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vasthouden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vasthouden

Wat is de betekenis van vasthouden?
Vasthouden is een werkwoord. De betekenis is: beletten dat iets losgaat.
Hoe vervoeg ik vasthouden?
Zo vervoeg je vasthouden zo: het voltooid deelwoord is vastgehouden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vasthouden is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. H 4
  6. O 1
  7. U 4
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vasthouden levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. H 4
  6. O 1
  7. U 2
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vasthouden in het kort

vasthouden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van vasthouden staan er 90 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vasthouden bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vasthouden: beletten dat iets losgaat
Deel vasthouden — standaardnederlands.nl