Naar de inhoud

vastleggen

bewaren van gegevens

vastleggen

werkwoord ˈvɑstlɛɣə(n)

Betekenis

  1. bewaren van gegevens
  2. ervoor zorgen dat iets vastzit aan iets anders
  3. zorgen dat ergens zekerheid over bestaat
  4. een contract aangaan

Hoe spreek je vastleggen uit?

/ˈvɑstlɛxən/

Vastleggen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈvɑstlɛxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ɑ bad
s sok
t tak
l land
ɛ bed
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van vastleggen

vastleggenhele werkwoord — legde vastverleden tijd enkelvoud — legden vastverleden tijd meervoud — vastgelegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leg vast legde vast
jij legt vast legde vast
hij, zij, het legt vast legde vast
wij leggen vast legden vast
jullie leggen vast legden vast
zij leggen vast legden vast
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vastgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vastgelegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vastgelegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vastgelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vastgelegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vastgelegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vastgelegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vastgelegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vastgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vastgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vastgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vastgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vastgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vastgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vastgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leg u/je vast, legt je vast gebiedende wijs
leg vast gebiedende wijs
legde vast verleden tijd
te hebben vastgelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vastleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast te leggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vast te zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vast zal leggen bijzin, toekomende tijd
vast zou leggen bijzin, voorwaardelijk
vast zouden leggen bijzin, voorwaardelijk
vast zoudt leggen bijzin, voorwaardelijk
vast zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vast zullen leggen bijzin, toekomende tijd
vast zult leggen bijzin, toekomende tijd
vastgelegd verleden tijd, deelwoord
vastgelegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgelegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vastgelegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgelegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgelegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vastgelegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgelegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vastgelegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgelegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastgelegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vastleg bijzin, tegenwoordige tijd
vastlegde bijzin, verleden tijd
vastlegden bijzin, verleden tijd
vastleggend onvoltooid, deelwoord
vastlegt bijzin, tegenwoordige tijd
waart vastgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vastgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vastgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vastgelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vastgelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vastgelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vastgelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me vastleggen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vastgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vastgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vastgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vastgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vastleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vastleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vastleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal vastleggen bijzin, toekomende tijd
zal zich vastleggen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vastleggen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich vastgelegd hebben verleden tijd
zich vastleggend onvoltooid, deelwoord
zijn vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vastgelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vastgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vastgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vastgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vastleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vastleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vastleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou vastleggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) vastleggen vast zou(dt) leggen bijzin, voorwaardelijk
zouden vastgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vastgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vastgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vastleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vastleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vastleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden vastleggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt vastgelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastgelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vastleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt vastleggen bijzin, voorwaardelijk
zullen je vastleggen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vastleggen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen vastgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vastgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen vastgelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vastgelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vastgelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon

Herkomst

samenstelling van vast en leggen

Woordfamilie van vastleggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
leg vast gebiedende wijs vastleggen
legde vast verleden tijd vastleggen
legden vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vastleggen
legge vast woordvorm vastleggen
leggen vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon vastleggen
legt vast aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vastleggen
vastleg subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastleggen
vastlegde subordinate-clause, verleden tijd vastleggen
vastlegden subordinate-clause, verleden tijd vastleggen
vastlegge with-subordinate-clause vastleggen
vastleggend onvoltooid deelwoord vastleggen
vastleggende woordvorm vastleggen
vastlegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd vastleggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastleggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vastleggen

Hoe spreek je vastleggen uit?
De uitspraak van vastleggen is: /ˈvɑstlɛɣə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent vastleggen?
Vastleggen is een werkwoord. Het woord betekent: bewaren van gegevens. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je vastleggen?
Je vervoegt vastleggen als volgt: het voltooid deelwoord is vastgelegd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vastleggen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vastleggen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. G 3
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vastleggen in het kort

vastleggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van vastleggen zijn 99 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vastleggen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vastleggen: bewaren van gegevens
Deel vastleggen — standaardnederlands.nl