vasten
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- een tijd waarin men zich meest om religieuze redenen bepaalde zaken, veelal voedsel, ontzegt
- zich onthouden van voedsel
Vervoeging van vasten
vastenhele werkwoord
Woordvorm
- verouderde spelling of vorm van vaste, accusatief m enk, tot 1946/47
Herkomst
In de betekenis van ‘niet eten of drinken’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van vasten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevast | woordvorm | vasten |
| vastend | woordvorm | vasten |
| vastende | woordvorm | vasten |
| vastte | woordvorm | vasten |
| vastten | woordvorm | vasten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vasten zijn vastgelegd.