op
bijwoord, bijvoeglijk naamwoord, voorzetsel ɔpBetekenis
- omhoog
- op weg: een gedeelte van een taak is volbracht
- volledig verbruikt:
- uitgeput, zonder energie
- uit bed
- aan de bovenkant aanrakend, rustend op: brood op tafel, een schip op zee, letters op een bordje
- in de buurt van: dicht op elkaar
- gelijktijdig met: op dat moment
- op enig moment gedurende: op een dag
- dragend als schoeisel: op blote voeten, op voetbalschoenen
- met gebruik van: Deze auto rijdt op diesel
- per (als bepaling van verhouding): 15 op de 100, de auto rijdt 1 op 10. mijl op zeven
- met een specifieke waarde: de thermometer staat op 10 graden
- op de manier: op de rem rijden, zich op zijn gemak voelen
- aan de bovenkant aanrakend, rustend op
- op
- boven
- naar
Hoe spreek je op uit?
/ɔp/
Op bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord.
- prepositioneel deel van een voornaamwoordelijk bijwoord
voorzetsel
- aan de bovenkant aanrakend, rustend op, zich bevindend te
- met gebruik van
- met een specifieke waarde
- in een toestand met
- aanwezig op een bepaalde plaats
- bij
Herkomst
erfwoord, als voorzetsel aangetroffen vanaf 777