hansop
zelfstandig naamwoord hɑnˈsɔpBetekenis
- ruim vallende nachtkleding waarbij lijf en broek aan één stuk zijn
- clownachtig toneelfiguur die in een hansop gekleed is
Hoe spreek je hansop uit?
/hɑnˈsɔp/
Hansop bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| s | sok |
| ɔ | bot |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hansopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hansopjes | verkleinwoord, meervoud |
| hansoppen | meervoud |
Herkomst
eponiem genoemd naar de karakteristieke kleding van een toneelfiguur en een daarop gebaseerde pop "Hans Sop" via Duits "Hans Supp" van Frans "Jean Potage", in de betekenis van ‘wijd kledingstuk, m.n. als nachtkleding’ aangetroffen vanaf 1725
Woordfamilie van hansop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hansopje | verkleinwoord | hansop |
| hansopjes | verkleinwoord meervoud | hansop |
| hansoppen | meervoud | hansop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hansop zijn vastgelegd.