opbieden
werkwoordBetekenis
- telkens een ander met een hoger bod overtreffen
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Vervoeging van opbieden
opbiedenhele werkwoord — bood opverleden tijd enkelvoud — boden opverleden tijd meervoud — opgebodenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bied op | bood op |
| jij | biedt op | bood op |
| hij, zij, het | biedt op | bood op |
| wij | bieden op | boden op |
| jullie | bieden op | boden op |
| zij | bieden op | boden op |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bied op | gebiedende wijs |
| bood op | verleden tijd |
| er is opgeboden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeboden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeboden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeboden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeboden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeboden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeboden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeboden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeboden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeboden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeboden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeboden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeboden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeboden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeboden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeboden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeboden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te bieden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen bieden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal bieden | bijzin, toekomende tijd |
| op zou bieden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden bieden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt bieden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen bieden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen bieden | bijzin, toekomende tijd |
| op zult bieden | bijzin, toekomende tijd |
| opbied | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbiedend | onvoltooid, deelwoord |
| opbiedt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opboden | bijzin, verleden tijd |
| opbood | bijzin, verleden tijd |
| opboodt | bijzin, verleden tijd |
| opgeboden | verleden tijd, deelwoord |
| opgeboden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeboden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opgeboden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opbieden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opbieden | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opbieden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opbieden op zou(dt) bieden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opbieden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opbieden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeboden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opbieden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opbieden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opbieden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opbieden | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgeboden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal opbieden op zult/zal bieden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en bieden
Woordfamilie van opbieden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bied op | gebiedende wijs | opbieden |
| biede op | woordvorm | opbieden |
| bieden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opbieden |
| biedt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opbieden |
| boden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opbieden |
| bood op | verleden tijd | opbieden |
| opbied | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbieden |
| opbiede | with-subordinate-clause | opbieden |
| opbiedend | onvoltooid deelwoord | opbieden |
| opbiedende | woordvorm | opbieden |
| opbiedt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbieden |
| opboden | subordinate-clause, verleden tijd | opbieden |
| opbood | subordinate-clause, verleden tijd | opbieden |
| opgeboden | voltooid deelwoord | opbieden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbieden zijn vastgelegd.