opbakken
werkwoordBetekenis
- iets dat eerst gekookt is in boter of olie opnieuw bakken
Vervoeging van opbakken
opbakkenhele werkwoord — bakte opverleden tijd enkelvoud — bakten opverleden tijd meervoud — opgebakkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bak op | bakte op |
| jij | bakt op | bakte op |
| hij, zij, het | bakt op | bakte op |
| wij | bakken op | bakten op |
| jullie | bakken op | bakten op |
| zij | bakken op | bakten op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| bak op | gebiedende wijs |
| bakte op | verleden tijd |
| ben opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgebakken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgebakken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgebakken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgebakken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgebakken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgebakken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgebakken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgebakken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgebakken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgebakken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgebakken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgebakken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgebakken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgebakken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgebakken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgebakken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te bakken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen bakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal bakken | bijzin, toekomende tijd |
| op zou bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen bakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen bakken | bijzin, toekomende tijd |
| op zult bakken | bijzin, toekomende tijd |
| opbak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbakkend | onvoltooid, deelwoord |
| opbakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbakte | bijzin, verleden tijd |
| opbakten | bijzin, verleden tijd |
| opgebakken | verleden tijd, deelwoord |
| opgebakken te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebakken te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebakken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebakken te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebakken te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebakken worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebakken zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebakken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebakken zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebakken zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opgebakken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opbakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgebakken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebakken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgebakken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebakken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgebakken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgebakken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgebakken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgebakken | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opbakken | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgebakken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebakken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgebakken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opbakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebakken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebakken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebakken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opbakken op zou(dt) bakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opbakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgebakken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebakken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebakken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opbakken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgebakken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgebakken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opbakken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opbakken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebakken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgebakken worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgebakken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebakken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebakken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opbakken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en bakken
Woordfamilie van opbakken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bak op | gebiedende wijs | opbakken |
| bakke op | woordvorm | opbakken |
| bakken op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opbakken |
| bakt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opbakken |
| bakte op | verleden tijd | opbakken |
| bakten op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opbakken |
| opbak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbakken |
| opbakke | with-subordinate-clause | opbakken |
| opbakkend | onvoltooid deelwoord | opbakken |
| opbakkende | woordvorm | opbakken |
| opbakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbakken |
| opbakte | subordinate-clause, verleden tijd | opbakken |
| opbakten | subordinate-clause, verleden tijd | opbakken |
| opgebakken | voltooid deelwoord | opbakken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbakken zijn vastgelegd.