dop
zelfstandig naamwoord, werkwoord /dɔp/Betekenis
- een stevig omhulsel, ongeveer in de vorm van een halve bol
- kapje ter afsluiting van iets
- oogleden
- eierschaal
- onderdeel van een dopsleutel dat rond een moer of boutkop sluit
- doopsel
Hoe spreek je dop uit?
/dɔp/
Dop bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɔ | bot |
| p | pak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dopjes | verkleinwoord, meervoud |
| doppen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doppen
- gebiedende wijs van doppen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doppen
Vervoeging van dop
dophele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘schaal’ voor het eerst aangetroffen in 1287.
Woordfamilie van dop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dopje | verkleinwoord | dop |
| dopjes | verkleinwoord meervoud | dop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dop zijn vastgelegd.