Naar de inhoud

opbloeien

tot bloei komen, wel gaan varen

opbloeien

werkwoord

Betekenis

  1. tot bloei komen, wel gaan varen

Vervoeging van opbloeien

opbloeienhele werkwoord — bloeide opverleden tijd enkelvoud — bloeiden opverleden tijd meervoud — opgebloeidvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bloei op bloeide op
jij bloeit op bloeide op
hij, zij, het bloeit op bloeide op
wij bloeien op bloeiden op
jullie bloeien op bloeiden op
zij bloeien op bloeiden op
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opgebloeid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgebloeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bloei op gebiedende wijs
bloeide op verleden tijd
ev. gebiedende wijs
is opgebloeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgebloeid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te bloeien actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen bloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal bloeien bijzin, toekomende tijd
op zou bloeien bijzin, voorwaardelijk
op zouden bloeien bijzin, voorwaardelijk
op zoudt bloeien bijzin, voorwaardelijk
op zullen bloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen bloeien bijzin, toekomende tijd
op zult bloeien bijzin, toekomende tijd
opbloei bijzin, tegenwoordige tijd
opbloeide bijzin, verleden tijd
opbloeiden bijzin, verleden tijd
opbloeiend onvoltooid, deelwoord
opbloeit bijzin, tegenwoordige tijd
opgebloeid verleden tijd, deelwoord
opgebloeid te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebloeid zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te zijn opgebloeid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opbloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgebloeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebloeid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgebloeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebloeid voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgebloeid voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgebloeid voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgebloeid voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opbloeien bijzin, toekomende tijd
zal opgebloeid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebloeid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgebloeid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgebloeid actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgebloeid voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgebloeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgebloeid voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgebloeid voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opbloeien bijzin, voorwaardelijk
zou opgebloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opbloeien op zou(dt) bloeien bijzin, voorwaardelijk
zouden opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opbloeien bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opbloeien bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgebloeid zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opbloeien actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opbloeien bijzin, toekomende tijd
zullen opgebloeid zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebloeid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebloeid zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opbloeien aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opbloeien bijzin, toekomende tijd
zult opgebloeid zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opbloeien op zult/zal bloeien bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en bloeien

Woordfamilie van opbloeien

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bloei op gebiedende wijs opbloeien
bloeide op verleden tijd opbloeien
bloeiden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opbloeien
bloeie op woordvorm opbloeien
bloeien op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opbloeien
bloeit op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opbloeien
opbloeide subordinate-clause, verleden tijd opbloeien
opbloeiden subordinate-clause, verleden tijd opbloeien
opbloeie with-subordinate-clause opbloeien
opbloeiend onvoltooid deelwoord opbloeien
opbloeiende woordvorm opbloeien
opbloeit subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbloeien
opgebloeid voltooid deelwoord opbloeien
opgebloeide woordvorm opbloeien

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbloeien zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opbloeien

Wat betekent opbloeien?
Opbloeien is een werkwoord. Het woord betekent: tot bloei komen, wel gaan varen.
Hoe vervoeg je opbloeien?
Je vervoegt opbloeien als volgt: het voltooid deelwoord is opgebloeid. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opbloeien is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. L 3
  5. O 1
  6. E 1
  7. I 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opbloeien levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. L 3
  5. O 1
  6. E 1
  7. I 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opbloeien in het kort

opbloeien staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opbloeien zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opbloeien bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opbloeien: tot bloei komen, wel gaan varen
Deel opbloeien — standaardnederlands.nl