opbloeien
werkwoordBetekenis
- tot bloei komen, wel gaan varen
Vervoeging van opbloeien
opbloeienhele werkwoord — bloeide opverleden tijd enkelvoud — bloeiden opverleden tijd meervoud — opgebloeidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bloei op | bloeide op |
| jij | bloeit op | bloeide op |
| hij, zij, het | bloeit op | bloeide op |
| wij | bloeien op | bloeiden op |
| jullie | bloeien op | bloeiden op |
| zij | bloeien op | bloeiden op |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben opgebloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgebloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bloei op | gebiedende wijs |
| bloeide op | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is opgebloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgebloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te bloeien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen bloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal bloeien | bijzin, toekomende tijd |
| op zou bloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden bloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt bloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen bloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen bloeien | bijzin, toekomende tijd |
| op zult bloeien | bijzin, toekomende tijd |
| opbloei | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbloeide | bijzin, verleden tijd |
| opbloeiden | bijzin, verleden tijd |
| opbloeiend | onvoltooid, deelwoord |
| opbloeit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opgebloeid | verleden tijd, deelwoord |
| opgebloeid te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebloeid zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te zijn opgebloeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opbloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgebloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebloeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgebloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebloeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgebloeid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgebloeid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgebloeid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opbloeien | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgebloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgebloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgebloeid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn opgebloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgebloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgebloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgebloeid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opbloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgebloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opbloeien op zou(dt) bloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opbloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgebloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opbloeien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgebloeid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opbloeien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opbloeien | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgebloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opbloeien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult opbloeien | bijzin, toekomende tijd |
| zult opgebloeid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal opbloeien op zult/zal bloeien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van op en bloeien
Woordfamilie van opbloeien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bloei op | gebiedende wijs | opbloeien |
| bloeide op | verleden tijd | opbloeien |
| bloeiden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opbloeien |
| bloeie op | woordvorm | opbloeien |
| bloeien op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opbloeien |
| bloeit op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opbloeien |
| opbloeide | subordinate-clause, verleden tijd | opbloeien |
| opbloeiden | subordinate-clause, verleden tijd | opbloeien |
| opbloeie | with-subordinate-clause | opbloeien |
| opbloeiend | onvoltooid deelwoord | opbloeien |
| opbloeiende | woordvorm | opbloeien |
| opbloeit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbloeien |
| opgebloeid | voltooid deelwoord | opbloeien |
| opgebloeide | woordvorm | opbloeien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbloeien zijn vastgelegd.