Naar de inhoud

opblinken

door een schittering zichtbaar worden

opblinken

werkwoord ˈɔblɪŋkə(n)

Betekenis

  1. door een schittering zichtbaar worden
  2. door poetsen laten schitteren

Hoe spreek je opblinken uit?

/ˈɔblɪŋkən/

Opblinken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔblɪŋkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
b bak
l land
ɪ pit
ŋ ding
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opblinken

opblinkenhele werkwoord — blonk opverleden tijd enkelvoud — blonken opverleden tijd meervoud — opgeblonkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blink op blonk op
jij blinkt op blonk op
hij, zij, het blinkt op blonk op
wij blinken op blonken op
jullie blinken op blonken op
zij blinken op blonken op
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben opgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
blink op gebiedende wijs
blonk op verleden tijd
er is opgeblonken impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was opgeblonken impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd opgeblonken impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt opgeblonken impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgeblonken worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal opgeblonken zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou opgeblonken worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou opgeblonken zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben opgeblonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is opgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te blinken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen blinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal blinken bijzin, toekomende tijd
op zou blinken bijzin, voorwaardelijk
op zouden blinken bijzin, voorwaardelijk
op zoudt blinken bijzin, voorwaardelijk
op zullen blinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen blinken bijzin, toekomende tijd
op zult blinken bijzin, toekomende tijd
opblink bijzin, tegenwoordige tijd
opblinkend onvoltooid, deelwoord
opblinkt bijzin, tegenwoordige tijd
opblonk bijzin, verleden tijd
opblonken bijzin, verleden tijd
opgeblonken verleden tijd, deelwoord
opgeblonken te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeblonken te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeblonken te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeblonken te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeblonken te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeblonken worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeblonken zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeblonken zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeblonken zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeblonken zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben/zijn opgeblonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opblinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeblonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeblonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeblonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeblonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeblonken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeblonken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeblonken voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgeblonken enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opblinken bijzin, toekomende tijd
zal opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeblonken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeblonken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgeblonken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeblonken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opblinken bijzin, voorwaardelijk
zou opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeblonken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeblonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeblonken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opblinken op zou(dt) blinken bijzin, voorwaardelijk
zouden opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opblinken bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeblonken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeblonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeblonken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opblinken bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeblonken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opblinken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opblinken bijzin, toekomende tijd
zullen opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeblonken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeblonken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeblonken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opblinken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opblinken bijzin, toekomende tijd
zult opgeblonken worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult opgeblonken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opblinken op zult/zal blinken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en blinken ww

Woordfamilie van opblinken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
blink op gebiedende wijs opblinken
blinke op woordvorm opblinken
blinken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opblinken
blinkt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opblinken
blonk op verleden tijd opblinken
blonken op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opblinken
opblink subordinate-clause, tegenwoordige tijd opblinken
opblinke with-subordinate-clause opblinken
opblinkend onvoltooid deelwoord opblinken
opblinkende woordvorm opblinken
opblinkt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opblinken
opblonk subordinate-clause, verleden tijd opblinken
opblonken subordinate-clause, verleden tijd opblinken
opgeblonken voltooid deelwoord opblinken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opblinken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opblinken

Hoe spreek ik opblinken uit?
Zo spreek je opblinken uit: /ˈɔblɪŋkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van opblinken?
Opblinken is een werkwoord. De betekenis is: door een schittering zichtbaar worden. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opblinken?
Zo vervoeg je opblinken zo: het voltooid deelwoord is opgeblonken. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opblinken is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. L 3
  5. I 1
  6. N 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opblinken levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. L 3
  5. I 2
  6. N 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opblinken in het kort

opblinken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opblinken staan er 76 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opblinken bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opblinken: door een schittering zichtbaar worden
Deel opblinken — standaardnederlands.nl