Naar de inhoud

opbinden

naar boven omslaan en daar vastbinden

opbinden

werkwoord

Betekenis

  1. naar boven omslaan en daar vastbinden
  2. tot steun aan iets vastbinden
  3. samenbinden
  4. ledematen van gevogelte vastmaken, brideren

Vervoeging van opbinden

opbindenhele werkwoord — bond opverleden tijd enkelvoud — bonden opverleden tijd meervoud — opgebondenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bind op bond op
jij bindt op bond op
hij, zij, het bindt op bond op
wij binden op bonden op
jullie binden op bonden op
zij binden op bonden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bind op gebiedende wijs
bond op verleden tijd
er is opgebonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgebonden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgebonden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgebonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgebonden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgebonden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgebonden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgebonden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te binden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal binden bijzin, toekomende tijd
op zou binden bijzin, voorwaardelijk
op zouden binden bijzin, voorwaardelijk
op zoudt binden bijzin, voorwaardelijk
op zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen binden bijzin, toekomende tijd
op zult binden bijzin, toekomende tijd
opbind bijzin, tegenwoordige tijd
opbindend onvoltooid, deelwoord
opbindt bijzin, tegenwoordige tijd
opbond bijzin, verleden tijd
opbonden bijzin, verleden tijd
opgebonden verleden tijd, deelwoord
opgebonden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebonden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebonden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebonden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebonden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebonden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebonden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebonden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebonden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebonden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opbinden bijzin, toekomende tijd
zal opgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opbinden bijzin, voorwaardelijk
zou opgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opbinden op zou(dt) binden bijzin, voorwaardelijk
zouden opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opbinden bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opbinden bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opbinden bijzin, toekomende tijd
zullen opgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op en binden

Woordfamilie van opbinden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bind op gebiedende wijs opbinden
binde op woordvorm opbinden
binden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opbinden
bindt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opbinden
bond op verleden tijd opbinden
bonden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opbinden
opbind subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbinden
opbinde with-subordinate-clause opbinden
opbindend onvoltooid deelwoord opbinden
opbindende woordvorm opbinden
opbindt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbinden
opbond subordinate-clause, verleden tijd opbinden
opbonden subordinate-clause, verleden tijd opbinden
opgebonden voltooid deelwoord opbinden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbinden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opbinden

Wat betekent opbinden?
Opbinden is een werkwoord. Het woord betekent: naar boven omslaan en daar vastbinden. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opbinden?
Je vervoegt opbinden als volgt: het voltooid deelwoord is opgebonden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opbinden is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. I 1
  5. N 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opbinden levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. I 2
  5. N 1
  6. D 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opbinden in het kort

opbinden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opbinden zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opbinden bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opbinden: naar boven omslaan en daar vastbinden
Deel opbinden — standaardnederlands.nl