opbinden
werkwoordBetekenis
- naar boven omslaan en daar vastbinden
- tot steun aan iets vastbinden
- samenbinden
- ledematen van gevogelte vastmaken, brideren
Vervoeging van opbinden
opbindenhele werkwoord — bond opverleden tijd enkelvoud — bonden opverleden tijd meervoud — opgebondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bind op | bond op |
| jij | bindt op | bond op |
| hij, zij, het | bindt op | bond op |
| wij | binden op | bonden op |
| jullie | binden op | bonden op |
| zij | binden op | bonden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bind op | gebiedende wijs |
| bond op | verleden tijd |
| er is opgebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgebonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgebonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgebonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgebonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgebonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgebonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te binden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal binden | bijzin, toekomende tijd |
| op zou binden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden binden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt binden | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen binden | bijzin, toekomende tijd |
| op zult binden | bijzin, toekomende tijd |
| opbind | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbindend | onvoltooid, deelwoord |
| opbindt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbond | bijzin, verleden tijd |
| opbonden | bijzin, verleden tijd |
| opgebonden | verleden tijd, deelwoord |
| opgebonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opgebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opbinden op zou(dt) binden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en binden
Woordfamilie van opbinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bind op | gebiedende wijs | opbinden |
| binde op | woordvorm | opbinden |
| binden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opbinden |
| bindt op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opbinden |
| bond op | verleden tijd | opbinden |
| bonden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opbinden |
| opbind | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbinden |
| opbinde | with-subordinate-clause | opbinden |
| opbindend | onvoltooid deelwoord | opbinden |
| opbindende | woordvorm | opbinden |
| opbindt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbinden |
| opbond | subordinate-clause, verleden tijd | opbinden |
| opbonden | subordinate-clause, verleden tijd | opbinden |
| opgebonden | voltooid deelwoord | opbinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbinden zijn vastgelegd.