shop
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ʃɔp/Betekenis
- een winkel
- winkel
- winkelen
Hoe spreek je shop uit?
/ʃɔp/
Shop bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ʃ | sjaal |
| ɔ | bot |
| p | pak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| shopje | verkleinwoord, enkelvoud |
| shopjes | verkleinwoord, meervoud |
| shops | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van shoppen
- gebiedende wijs van shoppen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van shoppen
Vervoeging van shop
shophele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘winkel’ voor het eerst aangetroffen in 1847
Woordfamilie van shop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| shopje | verkleinwoord | shop |
| shopjes | verkleinwoord meervoud | shop |
| shops | meervoud | shop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van shop zijn vastgelegd.