Naar de inhoud

opborrelen

het naar boven komen van gasbellen door een vloeistof

opborrelen

werkwoord

Betekenis

  1. het naar boven komen van gasbellen door een vloeistof

Vervoeging van opborrelen

opborrelenhele werkwoord — borrelde opverleden tijd enkelvoud — borrelden opverleden tijd meervoud — opgeborreldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik borrel op borrelde op
jij borrelt op borrelde op
hij, zij, het borrelt op borrelde op
wij borrelen op borrelden op
jullie borrelen op borrelden op
zij borrelen op borrelden op
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
borrel op gebiedende wijs
borrelde op verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had opgeborreld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeborreld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeborreld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeborreld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeborreld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeborreld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeborreld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeborreld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeborreld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeborreld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeborreld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeborreld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeborreld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeborreld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeborreld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te borrelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen borrelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal borrelen bijzin, toekomende tijd
op zou borrelen bijzin, voorwaardelijk
op zouden borrelen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt borrelen bijzin, voorwaardelijk
op zullen borrelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen borrelen bijzin, toekomende tijd
op zult borrelen bijzin, toekomende tijd
opborrel bijzin, tegenwoordige tijd
opborrelde bijzin, verleden tijd
opborrelden bijzin, verleden tijd
opborrelend onvoltooid, deelwoord
opborrelt bijzin, tegenwoordige tijd
opgeborreld verleden tijd, deelwoord
opgeborreld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeborreld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgeborreld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opborrelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opborrelen bijzin, toekomende tijd
zal opgeborreld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeborreld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeborreld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opborrelen bijzin, voorwaardelijk
zou opgeborreld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeborreld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeborreld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opborrelen op zou(dt) borrelen bijzin, voorwaardelijk
zouden opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opborrelen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeborreld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeborreld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeborreld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opborrelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeborreld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opborrelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opborrelen bijzin, toekomende tijd
zullen opgeborreld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeborreld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeborreld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opborrelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opborrelen bijzin, toekomende tijd
zult opgeborreld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opborrelen op zult/zal borrelen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en borrelen

Woordfamilie van opborrelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
borrel op gebiedende wijs opborrelen
borrelde op verleden tijd opborrelen
borrelden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opborrelen
borrele op woordvorm opborrelen
borrelen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opborrelen
borrelt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opborrelen
opborrel subordinate-clause, tegenwoordige tijd opborrelen
opborrelde subordinate-clause, verleden tijd opborrelen
opborrelden subordinate-clause, verleden tijd opborrelen
opborrele with-subordinate-clause opborrelen
opborrelend onvoltooid deelwoord opborrelen
opborrelende woordvorm opborrelen
opborrelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opborrelen
opgeborreld voltooid deelwoord opborrelen
opgeborrelde woordvorm opborrelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opborrelen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opborrelen

Wat is de betekenis van opborrelen?
Opborrelen is een werkwoord. De betekenis is: het naar boven komen van gasbellen door een vloeistof.
Hoe vervoeg ik opborrelen?
Zo vervoeg je opborrelen zo: het voltooid deelwoord is opgeborreld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opborrelen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. O 1
  5. R 2
  6. R 2
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opborrelen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. O 1
  5. R 2
  6. R 2
  7. E 1
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 zonder bonus
  12. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opborrelen in het kort

opborrelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opborrelen staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opborrelen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opborrelen: het naar boven komen van gasbellen door een vloeistof
Deel opborrelen — standaardnederlands.nl