stop
zelfstandig naamwoord, werkwoord stɔpBetekenis
- zekering die elektrische stroom begrenst doordat zij smelt
- halte (korte onderbreking)
- voorwerp dat een opening kan afsluiten
- besluit om verdere groei of toename te stoppen (- wervingsstop)
- stoppen
- tegenhouden
- dichtstoppen
- stop, ho
- het liften; het, met een langs de weg aangehouden auto, als gratis passagier meerijden
- legering
- aliaż
- halt; aansporing om te stoppen
- schorsing; een voorlopig of tijdelijk verbod om deel te nemen in races of wedstrijden te spelen
- autostop
- distanc
- gebruikt als punt in telegrammen
Hoe spreek je stop uit?
/stɔp/
Stop bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɔ | bot |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- besluit om verdere groei of toename te stoppen
- woord gebruikt als afbreking in een telegram
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stops | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoppen
- gebiedende wijs van stoppen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stoppen
Vervoeging van stop
stophele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘afdichting’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1368
Woordfamilie van stop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stopje | woordvorm | stop |
| stopjes | meervoud | stop |
| stops | enkelvoud | stop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stop zijn vastgelegd.