drop
zelfstandig naamwoord, werkwoord drɔpBetekenis
- zwart gekleurd snoepgoed gemaakt van o.a. zoethoutextract, bindmiddel, suiker. (jap: Vlaams).
- slag waarmee de shuttle vlak achter het net wordt gespeeld
- druppel
- laten vallen.
- trap; een vogel uit de orde Otidiformes
- grote trap; een soort uit de familie Trappen 1
- Drop zwyczajny
- trap; vogel uit de orde Otidiformes
- het droppen; bij het golfen de bal vastnemen met de handen en de bal met gestrekte arm weer naar beneden laten vallen
Hoe spreek je drop uit?
/drɔp/
Drop bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| p | pak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dropje | verkleinwoord, eerste persoon |
| dropje | verkleinwoord, tweede persoon |
| dropjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| droppen | enkelvoud |
| drops | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van droppen
- gebiedende wijs van droppen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van droppen
Vervoeging van drop
drophele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘druppel’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van drop
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dropje | verkleinwoord, 1e persoon | drop |
| dropjes | verkleinwoord | drop |
| drops | enkelvoud | drop |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van drop zijn vastgelegd.