Naar de inhoud

opbellen

iemand ~: iemand telefonisch proberen te bereiken

opbellen

werkwoord /ˈɔˌbɛlə(n)/

Betekenis

  1. iemand ~: iemand telefonisch proberen te bereiken

Hoe spreek je opbellen uit?

/ˈɔˌbɛlən/

Opbellen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔˌbɛlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
b bak
ɛ bed
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon

Vervoeging van opbellen

opbellenhele werkwoord — belde opverleden tijd enkelvoud — belden opverleden tijd meervoud — opgebeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bel op belde op
jij belt op belde op
hij, zij, het belt op belde op
wij bellen op belden op
jullie bellen op belden op
zij bellen op belden op
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
bel op gebiedende wijs
belde op verleden tijd
ben opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is opgebeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgebeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgebeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgebeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgebeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgebeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgebeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgebeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgebeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgebeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgebeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgebeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgebeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgebeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgebeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te bellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen bellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal bellen bijzin, toekomende tijd
op zou bellen bijzin, voorwaardelijk
op zouden bellen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt bellen bijzin, voorwaardelijk
op zullen bellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen bellen bijzin, toekomende tijd
op zult bellen bijzin, toekomende tijd
opbel bijzin, tegenwoordige tijd
opbelde bijzin, verleden tijd
opbelden bijzin, verleden tijd
opbellend onvoltooid, deelwoord
opbelt bijzin, tegenwoordige tijd
opgebeld verleden tijd, deelwoord
opgebeld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebeld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebeld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebeld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebeld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebeld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebeld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebeld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgebeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opbellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgebeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgebeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgebeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgebeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgebeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgebeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgebeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgebeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgebeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgebeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgebeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgebeld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgebeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgebeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgebeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgebeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgebeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgebeld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opbellen bijzin, toekomende tijd
zal opgebeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgebeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgebeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgebeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opbellen bijzin, voorwaardelijk
zou opgebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opbellen op zou(dt) bellen bijzin, voorwaardelijk
zouden opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opbellen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebeld zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebeld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opbellen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebeld zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opbellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opbellen bijzin, toekomende tijd
zullen opgebeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgebeld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebeld zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebeld zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebeld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opbellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van op bw en bellen ww

Woordfamilie van opbellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bel op gebiedende wijs opbellen
belde op verleden tijd opbellen
belden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opbellen
belle op woordvorm opbellen
bellen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opbellen
belt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opbellen
opbel subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbellen
opbelde subordinate-clause, verleden tijd opbellen
opbelden subordinate-clause, verleden tijd opbellen
opbelle with-subordinate-clause opbellen
opbellend onvoltooid deelwoord opbellen
opbellende woordvorm opbellen
opbelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbellen
opgebeld voltooid deelwoord opbellen
opgebelde woordvorm opbellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbellen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over opbellen

Hoe spreek je opbellen uit?
De uitspraak van opbellen is: /ˈɔˌbɛlə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent opbellen?
Opbellen is een werkwoord. Het woord betekent: iemand ~: iemand telefonisch proberen te bereiken.
Hoe vervoeg je opbellen?
Je vervoegt opbellen als volgt: het voltooid deelwoord is opgebeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op opbellen?

Er staan 38 woorden in dit woordenboek die op opbellen rijmen, waaronder vertellen, samenstellen en spellen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op opbellen, uitspraak ˈɔˌbɛlən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
vertellen 3
samenstellen 4
spellen 2
bellen 2
bestellen 3
stellen 2
voorspellen 3
vervellen 3
tevredenstellen 5
wellen 2
ellen 2
verstellen 3
internetbellen 5
kokkerellen 4
gallon 2
bikkelspellen 4
cellen 2
croquetspellen 4
damesenkelspelen 6
detectivespellen 6
deviatietabellen 7
foltercellen 4
geitenvellen 4
gelijkspellen 4
getijdentabellen 6
hinkelspellen 4
homostellen 4
kerkbellen 4
libellen 3
liederspelen 4
moraliteitenspelen 7
nellen 2
novellen 3
predictiemodellen 6
scherpstellen 4
seychellen 3
slotkapellen 4
zakschaakspellen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opbellen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. E 1
  5. L 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opbellen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. E 1
  5. L 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 zonder bonus
  10. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opbellen in het kort

opbellen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opbellen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opbellen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opbellen: iemand ~: iemand telefonisch proberen te bereiken
Deel opbellen — standaardnederlands.nl