Naar de inhoud

opblijven

niet gaan slapen

opblijven

werkwoord

Betekenis

  1. niet gaan slapen
  2. tweede betekenisomschrijving.
  3. enz.

Vervoeging van opblijven

opblijvenhele werkwoord — bleef opverleden tijd enkelvoud — bleven opverleden tijd meervoud — opgeblevenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blijf op bleef op
jij blijft op bleef op
hij, zij, het blijft op bleef op
wij blijven op bleven op
jullie blijven op bleven op
zij blijven op bleven op
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben opgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bleef op verleden tijd
blijf op gebiedende wijs
ev. gebiedende wijs
is opgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te blijven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen blijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal blijven bijzin, toekomende tijd
op zou blijven bijzin, voorwaardelijk
op zouden blijven bijzin, voorwaardelijk
op zoudt blijven bijzin, voorwaardelijk
op zullen blijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen blijven bijzin, toekomende tijd
op zult blijven bijzin, toekomende tijd
opbleef bijzin, verleden tijd
opbleven bijzin, verleden tijd
opblijf bijzin, tegenwoordige tijd
opblijft bijzin, tegenwoordige tijd
opblijvend onvoltooid, deelwoord
opgebleven verleden tijd, deelwoord
opgebleven te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebleven zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te zijn opgebleven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opblijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgebleven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebleven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgebleven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebleven voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgebleven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgebleven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgebleven voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opblijven bijzin, toekomende tijd
zal opgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgebleven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn opgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgebleven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opblijven bijzin, voorwaardelijk
zou opgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opblijven op zou(dt) blijven bijzin, voorwaardelijk
zouden opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opblijven bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opblijven bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgebleven zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opblijven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opblijven bijzin, toekomende tijd
zullen opgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opblijven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opblijven bijzin, toekomende tijd
zult opgebleven zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opblijven op zult/zal blijven bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en blijven ww

Woordfamilie van opblijven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bleef op verleden tijd opblijven
bleven op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opblijven
blijf op gebiedende wijs opblijven
blijft op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opblijven
blijve op woordvorm opblijven
blijven op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opblijven
opbleef subordinate-clause, verleden tijd opblijven
opbleven subordinate-clause, verleden tijd opblijven
opblijf subordinate-clause, tegenwoordige tijd opblijven
opblijft subordinate-clause, tegenwoordige tijd opblijven
opblijve with-subordinate-clause opblijven
opblijvend onvoltooid deelwoord opblijven
opblijvende woordvorm opblijven
opgebleven voltooid deelwoord opblijven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opblijven zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opblijven

Wat is de betekenis van opblijven?
Opblijven is een werkwoord. De betekenis is: niet gaan slapen. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik opblijven?
Zo vervoeg je opblijven zo: het voltooid deelwoord is opgebleven. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opblijven is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. L 3
  5. I 1
  6. J 4
  7. V 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opblijven levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. L 3
  5. I 2
  6. J 4
  7. V 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 24 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opblijven in het kort

opblijven staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van opblijven staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opblijven bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opblijven: niet gaan slapen
Deel opblijven — standaardnederlands.nl