Naar de inhoud

opblazen

doen ontploffen

opblazen

werkwoord /'ɔp.bla.zə(n)/

Betekenis

  1. doen ontploffen
  2. een gas in een uitzetbare ruimte pompen
  3. een gas in een bepaalde richting laten stromen
  4. (een gebeurtenis) op overdreven manier beschrijven

Hoe spreek je opblazen uit?

/ˈɔpblazən/

Opblazen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔpblazən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
b bak
l land
a maan
z zon
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. op overdreven manier beschrijven transitive

Vervoeging van opblazen

opblazenhele werkwoord — blies opverleden tijd enkelvoud — bliezen opverleden tijd meervoud — opgeblazenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik blaas op blies op
jij blaast op blies op
hij, zij, het blaast op blies op
wij blazen op bliezen op
jullie blazen op bliezen op
zij blazen op bliezen op
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
blaas op gebiedende wijs
blies op verleden tijd
er is opgeblazen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeblazen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeblazen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeblazen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeblazen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeblazen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeblazen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeblazen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeblazen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te blazen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen blazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal blazen bijzin, toekomende tijd
op zou blazen bijzin, voorwaardelijk
op zouden blazen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt blazen bijzin, voorwaardelijk
op zullen blazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen blazen bijzin, toekomende tijd
op zult blazen bijzin, toekomende tijd
opblaas bijzin, tegenwoordige tijd
opblaast bijzin, tegenwoordige tijd
opblazend onvoltooid, deelwoord
opblies bijzin, verleden tijd
opbliest bijzin, verleden tijd
opbliezen bijzin, verleden tijd
opgeblazen verleden tijd, deelwoord
opgeblazen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeblazen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeblazen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeblazen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeblazen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeblazen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeblazen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeblazen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeblazen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeblazen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgeblazen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opblazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeblazen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgeblazen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgeblazen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgeblazen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opblazen bijzin, toekomende tijd
zal opgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeblazen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeblazen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgeblazen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opblazen bijzin, voorwaardelijk
zou opgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opblazen op zou(dt) blazen bijzin, voorwaardelijk
zouden opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opblazen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opblazen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeblazen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgeblazen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opblazen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opblazen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opblazen bijzin, toekomende tijd
zullen opgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeblazen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgeblazen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeblazen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeblazen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeblazen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘doen ontploffen’ voor het eerst aangetroffen in 1642

Woordfamilie van opblazen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
blaas op gebiedende wijs opblazen
blaast op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opblazen
blaze op woordvorm opblazen
blazen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opblazen
blies op verleden tijd opblazen
bliezen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opblazen
opblaas subordinate-clause, tegenwoordige tijd opblazen
opblaast subordinate-clause, tegenwoordige tijd opblazen
opblaze with-subordinate-clause opblazen
opblazend onvoltooid deelwoord opblazen
opblazende woordvorm opblazen
opblies subordinate-clause, verleden tijd opblazen
opbliezen subordinate-clause, verleden tijd opblazen
opgeblazen voltooid deelwoord opblazen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opblazen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over opblazen

Hoe spreek je opblazen uit?
De uitspraak van opblazen is: /'ɔp.bla.zə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent opblazen?
Opblazen is een werkwoord. Het woord betekent: doen ontploffen. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je opblazen?
Je vervoegt opblazen als volgt: het voltooid deelwoord is opgeblazen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opblazen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. Z 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opblazen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. L 3
  5. A 1
  6. Z 5
  7. E 1
  8. N 1
  9. 20 zonder bonus
  10. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opblazen in het kort

opblazen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van opblazen zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opblazen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opblazen: doen ontploffen
Deel opblazen — standaardnederlands.nl