opblazen
werkwoord /'ɔp.bla.zə(n)/Betekenis
- doen ontploffen
- een gas in een uitzetbare ruimte pompen
- een gas in een bepaalde richting laten stromen
- (een gebeurtenis) op overdreven manier beschrijven
Hoe spreek je opblazen uit?
/ˈɔpblazən/
Opblazen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| p | pak |
| b | bak |
| l | land |
| a | maan |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- op overdreven manier beschrijven transitive
Vervoeging van opblazen
opblazenhele werkwoord — blies opverleden tijd enkelvoud — bliezen opverleden tijd meervoud — opgeblazenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blaas op | blies op |
| jij | blaast op | blies op |
| hij, zij, het | blaast op | blies op |
| wij | blazen op | bliezen op |
| jullie | blazen op | bliezen op |
| zij | blazen op | bliezen op |
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| blaas op | gebiedende wijs |
| blies op | verleden tijd |
| er is opgeblazen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgeblazen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgeblazen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgeblazen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgeblazen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgeblazen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgeblazen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgeblazen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeblazen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te blazen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen blazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal blazen | bijzin, toekomende tijd |
| op zou blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen blazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen blazen | bijzin, toekomende tijd |
| op zult blazen | bijzin, toekomende tijd |
| opblaas | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opblaast | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opblazend | onvoltooid, deelwoord |
| opblies | bijzin, verleden tijd |
| opbliest | bijzin, verleden tijd |
| opbliezen | bijzin, verleden tijd |
| opgeblazen | verleden tijd, deelwoord |
| opgeblazen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeblazen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgeblazen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeblazen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeblazen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgeblazen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeblazen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgeblazen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeblazen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgeblazen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opgeblazen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opblazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgeblazen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opblazen op zou(dt) blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgeblazen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opblazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgeblazen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgeblazen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘doen ontploffen’ voor het eerst aangetroffen in 1642
Woordfamilie van opblazen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blaas op | gebiedende wijs | opblazen |
| blaast op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opblazen |
| blaze op | woordvorm | opblazen |
| blazen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opblazen |
| blies op | verleden tijd | opblazen |
| bliezen op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opblazen |
| opblaas | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opblazen |
| opblaast | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opblazen |
| opblaze | with-subordinate-clause | opblazen |
| opblazend | onvoltooid deelwoord | opblazen |
| opblazende | woordvorm | opblazen |
| opblies | subordinate-clause, verleden tijd | opblazen |
| opbliezen | subordinate-clause, verleden tijd | opblazen |
| opgeblazen | voltooid deelwoord | opblazen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opblazen zijn vastgelegd.