opbaren
werkwoordBetekenis
- een overledene klaarleggen voor het afscheidnemen door familie en anderen
Vervoeging van opbaren
opbarenhele werkwoord — baarde opverleden tijd enkelvoud — baarden opverleden tijd meervoud — opgebaardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | baar op | baarde op |
| jij | baart op | baarde op |
| hij, zij, het | baart op | baarde op |
| wij | baren op | baarden op |
| jullie | baren op | baarden op |
| zij | baren op | baarden op |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| baar op | gebiedende wijs |
| baarde op | verleden tijd |
| ben opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is opgebaard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was opgebaard | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd opgebaard | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt opgebaard | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal opgebaard worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal opgebaard zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou opgebaard worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou opgebaard zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had opgebaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had opgebaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had opgebaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden opgebaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden opgebaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden opgebaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt opgebaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgebaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| op te baren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| op te zullen baren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| op zal baren | bijzin, toekomende tijd |
| op zou baren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zouden baren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zoudt baren | bijzin, voorwaardelijk |
| op zullen baren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| op zullen baren | bijzin, toekomende tijd |
| op zult baren | bijzin, toekomende tijd |
| opbaar | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbaarde | bijzin, verleden tijd |
| opbaarden | bijzin, verleden tijd |
| opbaart | bijzin, tegenwoordige tijd |
| opbarend | onvoltooid, deelwoord |
| opgebaard | verleden tijd, deelwoord |
| opgebaard te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebaard te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| opgebaard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebaard te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebaard te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| opgebaard worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebaard zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| opgebaard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebaard zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| opgebaard zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben opgebaard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen opbaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart opgebaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren opgebaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren opgebaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was opgebaard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was opgebaard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was opgebaard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt opgebaard | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal opbaren | bijzin, toekomende tijd |
| zal opgebaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal opgebaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal opgebaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal opgebaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt opgebaard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou opbaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou opgebaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou opgebaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou opgebaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) opbaren op zou(dt) baren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden opbaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden opgebaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden opgebaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden opgebaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden opgebaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt opbaren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt opgebaard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt opgebaard zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen opbaren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen opbaren | bijzin, toekomende tijd |
| zullen opgebaard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebaard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebaard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen opgebaard worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen opgebaard zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen opgebaard zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen opgebaard zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult opbaren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van op en baren
Woordfamilie van opbaren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| baar op | gebiedende wijs | opbaren |
| baarde op | verleden tijd | opbaren |
| baarden op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | opbaren |
| baart op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | opbaren |
| bare op | woordvorm | opbaren |
| baren op | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | opbaren |
| opbaar | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbaren |
| opbaarde | subordinate-clause, verleden tijd | opbaren |
| opbaarden | subordinate-clause, verleden tijd | opbaren |
| opbaart | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | opbaren |
| opbare | with-subordinate-clause | opbaren |
| opbarend | onvoltooid deelwoord | opbaren |
| opbarende | woordvorm | opbaren |
| opgebaard | voltooid deelwoord | opbaren |
| opgebaarde | woordvorm | opbaren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbaren zijn vastgelegd.