Naar de inhoud

opbaggeren

iets uit de modder op de bodem van een water naar boven halen

opbaggeren

werkwoord

Betekenis

  1. iets uit de modder op de bodem van een water naar boven halen

Vervoeging van opbaggeren

opbaggerenhele werkwoord — baggerde opverleden tijd enkelvoud — baggerden opverleden tijd meervoud — opgebaggerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bagger op baggerde op
jij baggert op baggerde op
hij, zij, het baggert op baggerde op
wij baggeren op baggerden op
jullie baggeren op baggerden op
zij baggeren op baggerden op
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bagger op gebiedende wijs
baggerde op verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had opgebaggerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgebaggerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgebaggerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgebaggerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgebaggerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgebaggerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgebaggerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgebaggerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebaggerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgebaggerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebaggerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgebaggerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgebaggerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebaggerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebaggerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te baggeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen baggeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal baggeren bijzin, toekomende tijd
op zou baggeren bijzin, voorwaardelijk
op zouden baggeren bijzin, voorwaardelijk
op zoudt baggeren bijzin, voorwaardelijk
op zullen baggeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen baggeren bijzin, toekomende tijd
op zult baggeren bijzin, toekomende tijd
opbagger bijzin, tegenwoordige tijd
opbaggerde bijzin, verleden tijd
opbaggerden bijzin, verleden tijd
opbaggerend onvoltooid, deelwoord
opbaggert bijzin, tegenwoordige tijd
opgebaggerd verleden tijd, deelwoord
opgebaggerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebaggerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgebaggerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opbaggeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opbaggeren bijzin, toekomende tijd
zal opgebaggerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebaggerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgebaggerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opbaggeren bijzin, voorwaardelijk
zou opgebaggerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebaggerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebaggerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opbaggeren op zou(dt) baggeren bijzin, voorwaardelijk
zouden opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opbaggeren bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebaggerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebaggerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebaggerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opbaggeren bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgebaggerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opbaggeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opbaggeren bijzin, toekomende tijd
zullen opgebaggerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebaggerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebaggerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opbaggeren aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opbaggeren bijzin, toekomende tijd
zult opgebaggerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal opbaggeren op zult/zal baggeren bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op bw en baggeren ww

Woordfamilie van opbaggeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bagger op gebiedende wijs opbaggeren
baggerde op verleden tijd opbaggeren
baggerden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opbaggeren
baggere op woordvorm opbaggeren
baggeren op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opbaggeren
baggert op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon opbaggeren
opbagger subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbaggeren
opbaggerde subordinate-clause, verleden tijd opbaggeren
opbaggerden subordinate-clause, verleden tijd opbaggeren
opbaggere with-subordinate-clause opbaggeren
opbaggerend onvoltooid deelwoord opbaggeren
opbaggerende woordvorm opbaggeren
opbaggert subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbaggeren
opgebaggerd voltooid deelwoord opbaggeren
opgebaggerde woordvorm opbaggeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbaggeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opbaggeren

Wat betekent opbaggeren?
Opbaggeren is een werkwoord. Het woord betekent: iets uit de modder op de bodem van een water naar boven halen.
Hoe vervoeg je opbaggeren?
Je vervoegt opbaggeren als volgt: het voltooid deelwoord is opgebaggerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opbaggeren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. A 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opbaggeren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. A 1
  5. G 3
  6. G 3
  7. E 1
  8. R 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opbaggeren in het kort

opbaggeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opbaggeren zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort opbaggeren bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

opbaggeren: iets uit de modder op de bodem van een water naar boven halen
Deel opbaggeren — standaardnederlands.nl