Naar de inhoud

opbiechten

toegeven dat men iets kwaads gedaan heeft

opbiechten

werkwoord ˈɔbixtə(n)

Betekenis

  1. toegeven dat men iets kwaads gedaan heeft

Hoe spreek je opbiechten uit?

/ˈɔbixtən/

Opbiechten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔbixtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
b bak
i riet
x acht
t tak
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van opbiechten

opbiechtenhele werkwoord — biechtte opverleden tijd enkelvoud — biechtten opverleden tijd meervoud — opgebiechtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik biecht op biechtte op
jij biecht op biechtte op
hij, zij, het biecht op biechtte op
wij biechten op biechtten op
jullie biechten op biechtten op
zij biechten op biechtten op
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
biecht op gebiedende wijs
biechtte op verleden tijd
er is opgebiecht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgebiecht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgebiecht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgebiecht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgebiecht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgebiecht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgebiecht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgebiecht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgebiecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgebiecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgebiecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgebiecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgebiecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgebiecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgebiecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebiecht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te biechten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen biechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal biechten bijzin, toekomende tijd
op zou biechten bijzin, voorwaardelijk
op zouden biechten bijzin, voorwaardelijk
op zoudt biechten bijzin, voorwaardelijk
op zullen biechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen biechten bijzin, toekomende tijd
op zult biechten bijzin, toekomende tijd
opbiecht bijzin, tegenwoordige tijd
opbiechtend onvoltooid, deelwoord
opbiechtte bijzin, verleden tijd
opbiechtten bijzin, verleden tijd
opgebiecht verleden tijd, deelwoord
opgebiecht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebiecht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgebiecht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebiecht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebiecht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgebiecht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebiecht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgebiecht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebiecht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgebiecht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben opgebiecht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen opbiechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart opgebiecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebiecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren opgebiecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren opgebiecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgebiecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was opgebiecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was opgebiecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt opgebiecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal opbiechten bijzin, toekomende tijd
zal opgebiecht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebiecht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgebiecht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgebiecht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgebiecht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt opgebiecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou opbiechten bijzin, voorwaardelijk
zou opgebiecht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebiecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebiecht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebiecht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgebiecht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgebiecht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) opbiechten op zou(dt) biechten bijzin, voorwaardelijk
zouden opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden opbiechten bijzin, voorwaardelijk
zouden opgebiecht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebiecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebiecht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgebiecht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgebiecht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgebiecht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt opbiechten bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgebiecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt opgebiecht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen opbiechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen opbiechten bijzin, toekomende tijd
zullen opgebiecht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebiecht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebiecht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen opgebiecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgebiecht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgebiecht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgebiecht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult opbiechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult opbiechten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van op en biechten

Woordfamilie van opbiechten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
biecht op gebiedende wijs opbiechten
biechte op woordvorm opbiechten
biechten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon opbiechten
biechtte op verleden tijd opbiechten
biechtten op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon opbiechten
opbiecht subordinate-clause, tegenwoordige tijd opbiechten
opbiechte with-subordinate-clause opbiechten
opbiechtend onvoltooid deelwoord opbiechten
opbiechtende woordvorm opbiechten
opbiechtte subordinate-clause, verleden tijd opbiechten
opbiechtten subordinate-clause, verleden tijd opbiechten
opgebiecht voltooid deelwoord opbiechten
opgebiechte woordvorm opbiechten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van opbiechten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over opbiechten

Hoe spreek ik opbiechten uit?
Zo spreek je opbiechten uit: /ˈɔbixtə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van opbiechten?
Opbiechten is een werkwoord. De betekenis is: toegeven dat men iets kwaads gedaan heeft.
Hoe vervoeg ik opbiechten?
Zo vervoeg je opbiechten zo: het voltooid deelwoord is opgebiecht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord opbiechten is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. B 3
  4. I 1
  5. E 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

opbiechten levert met Wordfeud minimaal 25 en maximaal 105 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. B 4
  4. I 2
  5. E 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 25 zonder bonus
  12. 105 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

opbiechten in het kort

opbiechten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van opbiechten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort opbiechten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

opbiechten: toegeven dat men iets kwaads gedaan heeft
Deel opbiechten — standaardnederlands.nl