hellen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ɦɛlə(n)/Betekenis
- schuin staan
- schuin doen staan
Hoe spreek je hellen uit?
/hɛlən/
Hellen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van hellen
hellenhele werkwoord — heldeverleden tijd enkelvoud — heldenverleden tijd meervoud — geheldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hel | helde |
| jij | helt | helde |
| hij, zij, het | helt | helde |
| wij | hellen | helden |
| jullie | hellen | helden |
| zij | hellen | helden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geheld | verleden tijd, deelwoord |
| geheld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geheld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hel | gebiedende wijs |
| helde | verleden tijd |
| helle | aanvoegende wijs |
| hellend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen hellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal hellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal hellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal hellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou hellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou hellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou hellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden hellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden hellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden hellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt hellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen hellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen hellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen hellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen hellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult hellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hel
Herkomst
In de betekenis van ‘schuin aflopen’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van hellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geheld | voltooid deelwoord | hellen |
| gehelde | woordvorm | hellen |
| helde | verleden tijd | hellen |
| helt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | hellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hellen zijn vastgelegd.