parfum
zelfstandig naamwoordBetekenis
- mengsel van verschillende geurstoffen in een oplosmiddel
- geur
- effect (in positieve zin)
- spoor 4, restant, overblijfsel
zelfstandig naamwoord
- plantaardig of chemisch verkregen mengsel van opgeloste geurstoffen, bedoeld om een aangename geur te creëren
- geur in het algemeen
- kenmerkende sfeer figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| parfummetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| parfummetjes | verkleinwoord, meervoud |
| parfumpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| parfumpjes | verkleinwoord, meervoud |
| parfums | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aangename geur’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1611
Woordfamilie van parfum
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| parfummetje | verkleinwoord | parfum |
| parfummetjes | verkleinwoord meervoud | parfum |
| parfumpje | verkleinwoord | parfum |
| parfumpjes | verkleinwoord meervoud | parfum |
| parfums | meervoud | parfum |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van parfum zijn vastgelegd.