gek
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ɣɛkBetekenis
- een persoon die (tijdelijk) iets raars doet
- een persoon die (regelmatig) vreemde dingen doet, een dwaas
- iemand met zeer lage intelligentie
- een draaibare kap op een schoorsteen, die verhinderen moet dat de wind in de schoorsteen slaat
- ongebruikelijk, raar, vreemd, ongewoon, onverwacht
- bezittende een zeer lage intelligentie, krankzinnig
- grappig.
- knettergek.
Hoe spreek je gek uit?
/xɛk/
Gek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| ɛ | bed |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1-3] gekkie | verkleinwoord, enkelvoud |
| [1-3] gekkies | verkleinwoord, meervoud |
| gekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| gekjes | verkleinwoord, meervoud |
| gekken | meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- ongebruikelijk, raar, vreemd, ongewoon
- anders dan verwacht
- zwaar geïrriteerd
- abnormaal zoals bij een geestelijke stoornis
- abnormaal op een komische manier
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gekken
- gebiedende wijs van gekken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gekken
Vervoeging van gek
gekhele werkwoord
Herkomst
Van het Middelenederduitse geck; etymologisch verwant met gig en giek. In de betekenis van ‘krankzinnig, dwaas’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401
Woordfamilie van gek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekje | verkleinwoord | gek |
| gekjes | verkleinwoord meervoud | gek |
| gekker | woordvorm | gek |
| gekkere | woordvorm | gek |
| gekkers | woordvorm | gek |
| geks | woordvorm | gek |
| gekst | woordvorm | gek |
| gekste | woordvorm | gek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van gek zijn vastgelegd.