lekkerbek
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈlɛkərˌbɛkBetekenis
- liefhebber van lekker eten
- soort vis (vroeger wijting en kabeljauw tegenwoordig: heek, pollak of schelvis)
Hoe spreek je lekkerbek uit?
/ˈlɛkərˌbɛk/
Lekkerbek bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| r | rood |
| b | bak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- liefhebber van smakelijk eten
- gefrituurde witvis (vroeger wijting en kabeljauw tegenwoordig: heek, pollak of schelvis)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| lekkerbekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| lekkerbekjes | verkleinwoord, meervoud |
| lekkerbekken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lekkerbekken
- gebiedende wijs van lekkerbekken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lekkerbekken
Vervoeging van lekkerbek
lekkerbekhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van lekker bn en bek zn
Woordfamilie van lekkerbek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lekkerbekje | verkleinwoord | lekkerbek |
| lekkerbekjes | verkleinwoord meervoud | lekkerbek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lekkerbek zijn vastgelegd.