hek
zelfstandig naamwoord /ɦɛk/Betekenis
- omheining, afscheiding
- draaibaar deel van een omheining, het deel dat als toegang gebruikt wordt
- raamwerk van latten van een molenwiek
- de bovenachterzijde van een schip, achterreling
Hoe spreek je hek uit?
/hɛk/
Hek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — neuter
- deels open constructie om een gebied af te scheiden van de omgeving
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hekjes | verkleinwoord, meervoud |
| hekken | meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands hecke van Oudnederlands hekki, als deel van toponiem aangetroffen vanaf 1025 en als woord in de betekenis van ‘rastering’ vanaf 1227
Woordfamilie van hek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hekje | verkleinwoord | hek |
| hekjes | verkleinwoord meervoud | hek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hek zijn vastgelegd.