overtrek
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈovərˌtrɛkBetekenis
- een stuk stof dat aangebracht wordt als bedekking van iets, bijvoorbeeld een meubelstuk
Hoe spreek je overtrek uit?
/ˈovərˌtrɛk/
Overtrek bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overtrekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| overtrekjes | verkleinwoord, meervoud |
| overtrekken | meervoud |
| óvertrek | canonical |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overtrekken
- gebiedende wijs van overtrekken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overtrekken
Vervoeging van overtrek
overtrekhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overtrék | canonical |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overtrekken
Vervoeging van overtrek
overtrekhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| óvertrek | canonical |
Herkomst
samenstelling van over bw en trek ww
Woordfamilie van overtrek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overtrekje | verkleinwoord | overtrek |
| overtrekjes | verkleinwoord meervoud | overtrek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overtrek zijn vastgelegd.