dek
zelfstandig naamwoord, werkwoord dɛkBetekenis
- laag die of vlak dat iets van boven afsluit:
- een verdieping op een schip, scheepsdek
- deken (voor mens of dier)
- laag van haren of veren op de rug van een dier (- verendek
- tien
Hoe spreek je dek uit?
/dɛk/
Dek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɛ | bed |
| k | kat |
Klinkt hetzelfde als deck.
zelfstandig naamwoord — neuter
- laag van haren of veren op de rug van een dier (-> verendek
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dekjes | verkleinwoord, meervoud |
| dekken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dekken
- gebiedende wijs van dekken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dekken
Vervoeging van dek
dekhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘bedekking’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Woordfamilie van dek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dekje | verkleinwoord | dek |
| dekjes | verkleinwoord meervoud | dek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van dek zijn vastgelegd.