stapel
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ˈstapəlBetekenis
- een gestructureerde hoop spullen
- de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
- een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument
- alleen predicatief gek, stapelgek
Hoe spreek je stapel uit?
/ˈstapəl/
Stapel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| a | maan |
| p | pak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stapels | meervoud |
| stapeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stapeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stapelen
- gebiedende wijs van stapelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stapelen
Vervoeging van stapel
stapelhele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands stapel van Oudnederlands, in de betekenis van ‘hoop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1046
Woordfamilie van stapel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stapels | meervoud | stapel |
| stapeltje | verkleinwoord | stapel |
| stapeltjes | verkleinwoord meervoud | stapel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stapel zijn vastgelegd.