bestek
zelfstandig naamwoord bəˈstɛkBetekenis
- deel van het gerei waarmee het eten aan tafel behandeld wordt, als verzamelnaam voor messen, vorken en lepels
- een zeer gedetailleerd omschreven bouwplan inclusief de van toepassing zijnde administratieve, juridische en technische bepalingen, materialen en uitvoeringsvoorwaarden
- dagelijks uitgevoerde bepaling van de geografische locatie van een schip op zee
- maat gebruikt bij het graven van turf 1
- begrensde ruimte
- afgebakend plan, ontwerp, opzet
Hoe spreek je bestek uit?
/bəˈstɛk/
Bestek bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| s | sok |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bestekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bestekjes | verkleinwoord, meervoud |
| bestekken | meervoud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- maat gebruikt bij het graven van turf [1]
- in kort bestek: in een korte omschrijving
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bestekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bestekjes | verkleinwoord, meervoud |
| bestekken | meervoud |
Woordfamilie van bestek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bestekje | verkleinwoord | bestek |
| bestekjes | verkleinwoord meervoud | bestek |
| bestekken | meervoud | bestek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bestek zijn vastgelegd.