bek
zelfstandig naamwoord, werkwoord bɛkBetekenis
- snavel van vogels
- mond van dieren
- mond van een mens
- iets dat qua vorm of beweging overeenkomst vertoont met een bek
- deel van een bankschroef
- pek
- pech
Hoe spreek je bek uit?
/bɛk/
Bek bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛ | bed |
| k | kat |
Klinkt hetzelfde als back.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bekjes | verkleinwoord, meervoud |
| bekken | meervoud |
| bekkie | verkleinwoord, enkelvoud |
| bekkies | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekken
- gebiedende wijs van bekken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bekken
Vervoeging van bek
bekhele werkwoord
Herkomst
Van het Franse bec, in de betekenis van ‘snavel, mond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van bek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bekje | verkleinwoord | bek |
| bekjes | verkleinwoord meervoud | bek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bek zijn vastgelegd.