mal
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord /mɑl/Betekenis
- blijk gevend van gebrek aan gezond verstand
- holle gietvorm
- grafische vorm die voor herhaaldelijk gebruik is bedoeld
- heel, erg
- moedervlek; een zichtbare, meestal gepigmenteerde huidaandoening
- maal, maaltijd
- maal, keer
- (slechts in bepaalde constructies en uitdrukkingen) slecht
- slecht
- pijn
- moeite
- kwade|het kwaad, slechte|het slechte.
- maal
- kwaad
- schade
- pijn, gebrek, kwaal
- verkeerd
- lastig
- vies
- meerval
- mot
Hoe spreek je mal uit?
/mɑl/
Mal bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| l | land |
bijvoeglijk naamwoord
- ondoordacht
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| malle | verbogen, stellende trap |
| maller | onverbogen, vergrotende trap |
| mallere | verbogen, vergrotende trap |
| mallers | partitief, vergrotende trap |
| mals | partitief, stellende trap |
| malst | onverbogen, overtreffende trap |
| malste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mallen
- gebiedende wijs van mallen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mallen
Vervoeging van mal
malhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘model’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1671
Woordfamilie van mal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maller | vergrotende trap | mal |
| mallere | verbogen vergrotende trap | mal |
| mallers | partitieve vergrotende trap | mal |
| malletje | woordvorm | mal |
| malletjes | meervoud | mal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van mal zijn vastgelegd.