doen
werkwoord, zelfstandig naamwoord dunBetekenis
- een actie ondernemen
- maakt van een ergatief werkwoord een causatieve constructie
- functioneren
- plaatsen
- aan: iets beoefenen zonder dat het je beroep is
- het verrichten van een werk
- toen
Hoe spreek je doen uit?
/dun/
Doen bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| u | boek |
| n | nek |
werkwoord
- maakt van een ergatief werkwoord een causatieve constructie In Belgisch-Nederlands wordt deze betekenis meer gebruikt, in Nederland is buiten formele taal "laten" meer gangbaar. auxiliary
- het ~ functioneren (in veel gevallen direct gevolgd door goed bn of slecht bn)
- op een andere plaats brengen vernacular
- een bepaalde intrinsieke waarde hebben
- ~ aan: iets beoefenen zonder dat dit beroepsmatig is
- het ~ , geslachtsgemeenschap hebben informal
Vervoeging van doen
doenhele werkwoord — deedverleden tijd enkelvoud — dedenverleden tijd meervoud — gedaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | doe | deed |
| jij | doet | deed |
| hij, zij, het | doet | deed |
| wij | doen | deden |
| jullie | doen | deden |
| zij | doen | deden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| deed | verleden tijd |
| doe | gebiedende wijs |
| doe | aanvoegende wijs |
| doend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gedaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gedaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gedaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gedaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gedaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gedaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gedaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gedaan | verleden tijd, deelwoord |
| gedaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gedaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gedaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gedaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gedaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te doen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gedaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gedaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gedaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gedaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gedaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gedaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal doen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal doen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal doen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gedaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou doen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou doen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou doen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden doen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden doen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden doen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt doen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gedaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gedaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen doen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen doen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen doen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen doen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult doen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gedaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gedaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
erfwoord, in de betekenis van ‘handelen, plaatsen’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van doen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| deden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | doen |
| deed | verleden tijd | doen |
| deedt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | doen |
| doe | gebiedende wijs | doen |
| doend | onvoltooid deelwoord | doen |
| doet | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | doen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van doen zijn vastgelegd.