katoen
zelfstandig naamwoord kaˈtunBetekenis
- een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
Hoe spreek je katoen uit?
/kaˈtun/
Katoen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| t | tak |
| u | boek |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| katoenen | meervoud |
| katoentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| katoentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘geweven stof’ voor het eerst aangetroffen in 1272
Woordfamilie van katoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| katoentje | verkleinwoord | katoen |
| katoentjes | verkleinwoord meervoud | katoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van katoen zijn vastgelegd.