kalkoen
zelfstandig naamwoord kɑlˈkunBetekenis
- gedomesticeerde vogel die in Nederland vooral rond Kerstmis gegeten wordt
Hoe spreek je kalkoen uit?
/kɑlˈkun/
Kalkoen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| l | land |
| u | boek |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort gedomesticeerde vogel, Meleagris gallopavo
- vlees van de hoendervogels Meleagris gallopavo, traditioneel vaak rond Kerstmis gegeten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kalkoenen | meervoud |
| kalkoentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kalkoentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
(verkorting) van "kalkoense haan", dat verwijst naar "Calcoen" als toenmalige benaming voor de havenstad Kozhikode in het zuidwesten van India, in de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in 1551
Woordfamilie van kalkoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kalkoentje | verkleinwoord | kalkoen |
| kalkoentjes | verkleinwoord meervoud | kalkoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kalkoen zijn vastgelegd.