overlevingspensioen
zelfstandig naamwoord ˌovərˈlevɪŋspɛnˌʃunBetekenis
- (Belgie) periodieke uitkering voor levensonderhoud aan de partner van een overledene
Hoe spreek je overlevingspensioen uit?
/ˌovərˈlevɪŋspɛnˌʃun/
Overlevingspensioen bestaat uit zes lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| l | land |
| e | veel |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| s | sok |
| p | pak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- periodieke uitkering voor levensonderhoud aan de partner van een overledene
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overlevingspensioenen | meervoud |
| overlevingspensioentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| overlevingspensioentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van overleving zn en pensioen zn met het invoegsel -s-
Woordfamilie van overlevingspensioen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| overlevingspensioenen | meervoud | overlevingspensioen |
| overlevingspensioentje | verkleinwoord | overlevingspensioen |
| overlevingspensioentjes | verkleinwoord meervoud | overlevingspensioen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overlevingspensioen zijn vastgelegd.