seizoen
zelfstandig naamwoord sɛiˈzunBetekenis
- één van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt, en gekenmerkt wordt door astronomische en klimatologische eigenschappen
- een jaarlijks terugkerende periode
Hoe spreek je seizoen uit?
/sɛiˈzun/
Seizoen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| u | boek |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- elk van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt, en gekenmerkt wordt door astronomische en klimatologische eigenschappen
- iets dat een keer per jaar een deel van het jaar duurt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| seizoenen | meervoud |
| seizoentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| seizoentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘jaargetijde’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van seizoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| seizoenen | meervoud | seizoen |
| seizoentje | verkleinwoord | seizoen |
| seizoentjes | verkleinwoord meervoud | seizoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van seizoen zijn vastgelegd.