paviljoen
zelfstandig naamwoord pavɪlˈjunBetekenis
- bijgebouw of afzonderlijk gelegen afdeling (van een ziekenhuis of gesticht)
- licht geconstrueerd buitenverblijf of tuinhuis (voor ontspanning en/of vermaak) (vaak van hout)
- buitencafé met veranda's en/of terrassen
- vooruitspringende voorgevel van een gebouw, in de meeste gevallen afgedekt met een paviljoendak
- tentvormige verhoging op het achterdek van een vaartuig
- grote gerieflijke tent voor voorname personen in vroeger tijd
- het onder de kroon gelegen gedeelte van een briljant
Hoe spreek je paviljoen uit?
/pavɪlˈjun/
Paviljoen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| a | maan |
| v | vis |
| ɪ | pit |
| l | land |
| j | ja |
| u | boek |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- bijgebouw of afzonderlijk gelegen afdeling (m.n. van een ziekenhuis of gesticht)
- klankbeker
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paviljoenen | meervoud |
| paviljoens | meervoud |
| paviljoentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paviljoentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Van het Franse pavillon. In de betekenis van ‘buitenverblijf’ voor het eerst aangetroffen in 1810
Woordfamilie van paviljoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paviljoenen | meervoud | paviljoen |
| paviljoens | meervoud | paviljoen |
| paviljoentje | verkleinwoord | paviljoen |
| paviljoentjes | verkleinwoord meervoud | paviljoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paviljoen zijn vastgelegd.