pensioen
zelfstandig naamwoord pɛnˈʃunBetekenis
- loon uitgesteld tot de tijd dat men niet langer actief is op de arbeidsmarkt
Hoe spreek je pensioen uit?
/pɛnˈʃun/
Pensioen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| ʃ | sjaal |
| u | boek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- loon uitgesteld tot de tijd dat iemand niet langer actief is op de arbeidsmarkt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| pensioenen | meervoud |
| pensioentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| pensioentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘uitkering na volbrachte diensttijd’ voor het eerst aangetroffen in 1716
Woordfamilie van pensioen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pensioenen | meervoud | pensioen |
| pensioentje | verkleinwoord | pensioen |
| pensioentjes | verkleinwoord meervoud | pensioen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pensioen zijn vastgelegd.