hoogseizoen
zelfstandig naamwoord ˈhoxsɛiˌzunBetekenis
- is de tijd waarin de meerderheid van de mensen met vakantie gaat. De periode buiten het hoogseizoen wordt het laagseizoen genoemd.
Hoe spreek je hoogseizoen uit?
/ˈhoxsɛiˌzun/
Hoogseizoen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| o | boot |
| x | acht |
| s | sok |
| ɛi | trein |
| z | zon |
| u | boek |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hoogseizoenen | meervoud |
| hoogseizoentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hoogseizoentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘drukste tijd van het jaar’ voor het eerst aangetroffen in 1962
Woordfamilie van hoogseizoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hoogseizoenen | meervoud | hoogseizoen |
| hoogseizoentje | verkleinwoord | hoogseizoen |
| hoogseizoentjes | verkleinwoord meervoud | hoogseizoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hoogseizoen zijn vastgelegd.