zoen
zelfstandig naamwoord, werkwoord zunBetekenis
- het met de lippen aanraken van een persoon of een voorwerp
- verzoening, vrede (zie bijv. zoenoffer)
Hoe spreek je zoen uit?
/zun/
Zoen bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| u | boek |
| n | nek |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zoenen | meervoud |
| zoentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zoentjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoenen
- gebiedende wijs van zoenen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoenen
Vervoeging van zoen
zoenhele werkwoord
Herkomst
Afgeleid van het oorspronkelijke woord voor 'verzoening'. Verzoening werd soms bezegeld met een kus. Die betekenis heeft het woord 'zoen' later óók gekregen. In de betekenis van ‘kus’ is het woord voor het eerst aangetroffen in het jaar 1544
Woordfamilie van zoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zoentje | verkleinwoord | zoen |
| zoentjes | verkleinwoord meervoud | zoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zoen zijn vastgelegd.