volleybal
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- balsport voor twee ploegen van zes spelers, waarbij de bal met de handen over een net wordt gespeeld.
- bal waarmee het spel 'volleybal' wordt gespeeld.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| volleyballen | meervoud |
| volleyballetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| volleyballetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van volleyballen
- gebiedende wijs van volleyballen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van volleyballen
Vervoeging van volleybal
volleybalhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘balspel’ voor het eerst aangetroffen in 1938
Woordfamilie van volleybal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| volleyballetje | verkleinwoord | volleybal |
| volleyballetjes | verkleinwoord meervoud | volleybal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van volleybal zijn vastgelegd.