bellenblazen
werkwoordBetekenis
- zeepbellen blazen uit zeepsop
Vervoeging van bellenblazen
bellenblazenhele werkwoord — blies bellenverleden tijd enkelvoud — bliezen bellenverleden tijd meervoud — bellengeblazenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | blaas bellen | blies bellen |
| jij | blaast bellen | blies bellen |
| hij, zij, het | blaast bellen | blies bellen |
| wij | blazen bellen | bliezen bellen |
| jullie | blazen bellen | bliezen bellen |
| zij | blazen bellen | bliezen bellen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bellen te blazen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bellen te zullen blazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bellen zal blazen | bijzin, toekomende tijd |
| bellen zou blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| bellen zouden blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| bellen zoudt blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| bellen zullen blazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bellen zullen blazen | bijzin, toekomende tijd |
| bellen zult blazen | bijzin, toekomende tijd |
| bellenblaas | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bellenblaast | bijzin, tegenwoordige tijd |
| bellenblazend | onvoltooid, deelwoord |
| bellenblies | bijzin, verleden tijd |
| bellenbliezen | bijzin, verleden tijd |
| bellengeblazen | verleden tijd, deelwoord |
| bellengeblazen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bellengeblazen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| blaas bellen | gebiedende wijs |
| blies bellen | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had bellengeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had bellengeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had bellengeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden bellengeblazen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden bellengeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden bellengeblazen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt bellengeblazen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb bellengeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bellengeblazen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben bellengeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben bellengeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben bellengeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt bellengeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bellengeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft bellengeblazen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben bellengeblazen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bellenblazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal bellenblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zal bellengeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bellengeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal bellengeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou bellenblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou bellengeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bellengeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bellengeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) bellenblazen bellen zou(dt) blazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden bellenblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden bellengeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bellengeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bellengeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt bellenblazen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt bellengeblazen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bellenblazen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen bellenblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen bellengeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bellengeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bellengeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bellenblazen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult bellenblazen | bijzin, toekomende tijd |
| zult bellengeblazen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal bellenblazen bellen zult/zal blazen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
In de betekenis van ‘bellen maken door te blazen in een pijpje met zeepsop’ voor het eerst aangetroffen in 1750
Woordfamilie van bellenblazen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bellenblaast | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | bellenblazen |
| bellenblaze | with-subordinate-clause | bellenblazen |
| bellenblazend | onvoltooid deelwoord | bellenblazen |
| bellenblazende | woordvorm | bellenblazen |
| bellenblies | subordinate-clause, verleden tijd | bellenblazen |
| bellenbliezen | subordinate-clause, verleden tijd | bellenblazen |
| bellengeblazen | voltooid deelwoord | bellenblazen |
| blaas bellen | gebiedende wijs | bellenblazen |
| blaast bellen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | bellenblazen |
| blaze bellen | woordvorm | bellenblazen |
| blazen bellen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | bellenblazen |
| blies bellen | verleden tijd | bellenblazen |
| bliezen bellen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bellenblazen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bellenblazen zijn vastgelegd.