bellen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbɛlə(n)Betekenis
- de deurbel over laten gaan, schellen, aanbellen
- door middel van een bel een signaal geven
- iemand opbellen, telefoneren naar of met iemand
- door middel van een bel roepen
- een van de vier Duitse kleuren in het kaartspel
- blaffen
Hoe spreek je bellen uit?
/ˈbɛlən/
Bellen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van bellen
bellenhele werkwoord — beldeverleden tijd enkelvoud — beldenverleden tijd meervoud — gebeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bel | belde |
| jij | belt | belde |
| hij, zij, het | belt | belde |
| wij | bellen | belden |
| jullie | bellen | belden |
| zij | bellen | belden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bel | gebiedende wijs |
| belde | verleden tijd |
| belle | aanvoegende wijs |
| bellend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebeld | verleden tijd, deelwoord |
| gebeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bellen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bellen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bel
Woordfamilie van bellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| belde | verleden tijd | bellen |
| belden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | bellen |
| bellend | onvoltooid deelwoord | bellen |
| bellende | woordvorm | bellen |
| gebeld | voltooid deelwoord | bellen |
| gebelde | woordvorm | bellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bellen zijn vastgelegd.