Naar de inhoud

bellen

de deurbel over laten gaan, schellen, aanbellen

bellen is meer dan één woord

bellen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈbɛlə(n)

Betekenis

  1. de deurbel over laten gaan, schellen, aanbellen
  2. door middel van een bel een signaal geven
  3. iemand opbellen, telefoneren naar of met iemand
  4. door middel van een bel roepen
  5. een van de vier Duitse kleuren in het kaartspel
  6. blaffen

Hoe spreek je bellen uit?

/ˈbɛlən/

Bellen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈbɛlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
b bak
ɛ bed
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van bellen

bellenhele werkwoord — beldeverleden tijd enkelvoud — beldenverleden tijd meervoud — gebeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bel belde
jij belt belde
hij, zij, het belt belde
wij bellen belden
jullie bellen belden
zij bellen belden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
bel gebiedende wijs
belde verleden tijd
belle aanvoegende wijs
bellend onvoltooid, deelwoord
er is gebeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gebeld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gebeld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gebeld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gebeld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gebeld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gebeld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gebeld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gebeld verleden tijd, deelwoord
gebeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gebeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gebeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gebeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gebeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gebeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gebeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gebeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gebeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gebeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gebeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gebeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gebeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gebeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gebeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te bellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gebeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen bellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal bellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal bellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal bellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal gebeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gebeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gebeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou bellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou bellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou bellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou gebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden bellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden bellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden bellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden gebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt bellen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt gebeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen bellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen bellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen bellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen bellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen gebeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gebeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gebeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult bellen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult gebeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord bel

Woordfamilie van bellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
belde verleden tijd bellen
belden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon bellen
bellend onvoltooid deelwoord bellen
bellende woordvorm bellen
gebeld voltooid deelwoord bellen
gebelde woordvorm bellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bellen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over bellen

Hoe spreek ik bellen uit?
Zo spreek je bellen uit: /ˈbɛlə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van bellen?
Bellen is een werkwoord. De betekenis is: de deurbel over laten gaan, schellen, aanbellen. In totaal staan er 6 betekenissen.
Hoe vervoeg ik bellen?
Zo vervoeg je bellen zo: de tegenwoordige tijd is bel, de verleden tijd is belde en het voltooid deelwoord is gebeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op bellen?

Op bellen rijmen 38 woorden, onder andere vertellen, samenstellen en spellen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op bellen, uitspraak ˈbɛlən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
vertellen 3
samenstellen 4
spellen 2
opbellen 3
bestellen 3
stellen 2
voorspellen 3
vervellen 3
tevredenstellen 5
wellen 2
ellen 2
verstellen 3
internetbellen 5
kokkerellen 4
gallon 2
bikkelspellen 4
cellen 2
croquetspellen 4
damesenkelspelen 6
detectivespellen 6
deviatietabellen 7
foltercellen 4
geitenvellen 4
gelijkspellen 4
getijdentabellen 6
hinkelspellen 4
homostellen 4
kerkbellen 4
libellen 3
liederspelen 4
moraliteitenspelen 7
nellen 2
novellen 3
predictiemodellen 6
scherpstellen 4
seychellen 3
slotkapellen 4
zakschaakspellen 4

Scrabble punten

Naar spel

Het woord bellen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. B 3
  2. E 1
  3. L 3
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

bellen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. B 4
  2. E 1
  3. L 3
  4. L 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 zonder bonus
  8. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

bellen telt 6 letters, waarvan 4 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

bellen in het kort

bellen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 6 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van bellen staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort bellen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

bellen: de deurbel over laten gaan, schellen, aanbellen
Deel bellen — standaardnederlands.nl