vierendeel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een vierde deel van iets
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vierendeeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vierendeeltjes | verkleinwoord, meervoud |
| vierendelen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vierendelen
- gebiedende wijs van vierendelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vierendelen
Vervoeging van vierendeel
vierendeelhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van vier ht en deel met het invoegsel -en-
Woordfamilie van vierendeel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vierendeeltje | verkleinwoord | vierendeel |
| vierendeeltjes | verkleinwoord meervoud | vierendeel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vierendeel zijn vastgelegd.