vierendelen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand ter dood brengen door het lichaam in vier stukken uiteen te rijten, gewoonlijk tussen vier paarden ingespannen
Vervoeging van vierendelen
vierendelenhele werkwoord — vierendeeldeverleden tijd enkelvoud — vierendeeldenverleden tijd meervoud — gevierendeeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vierendeel | vierendeelde |
| jij | vierendeelt | vierendeelde |
| hij, zij, het | vierendeelt | vierendeelde |
| wij | vierendelen | vierendeelden |
| jullie | vierendelen | vierendeelden |
| zij | vierendelen | vierendeelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gevierendeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevierendeeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevierendeeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevierendeeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevierendeeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevierendeeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevierendeeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevierendeeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevierendeeld | verleden tijd, deelwoord |
| gevierendeeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevierendeeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevierendeeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevierendeeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevierendeeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevierendeeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevierendeeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevierendeeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevierendeeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevierendeeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevierendeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevierendeeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vierendelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vierendelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vierendeel | gebiedende wijs |
| vierendeelde | verleden tijd |
| vierendele | aanvoegende wijs |
| vierendelend | onvoltooid, deelwoord |
| waart gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevierendeeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gevierendeeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gevierendeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevierendeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevierendeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevierendeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevierendeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevierendeeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevierendeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevierendeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevierendeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevierendeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevierendeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevierendeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevierendeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevierendeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevierendeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevierendeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevierendeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevierendeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevierendeeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevierendeeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevierendeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevierendeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevierendeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevierendeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevierendeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevierendeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vierendelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevierendeeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevierendeeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevierendeeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vierendelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vierendeel
Herkomst
samenstelling van vier en delen met het invoegsel -en-
Woordfamilie van vierendelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevierendeeld | voltooid deelwoord | vierendelen |
| gevierendeelde | woordvorm | vierendelen |
| vierendeelde | verleden tijd | vierendelen |
| vierendeelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vierendelen |
| vierendeelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vierendelen |
| vierendele | aanvoegende wijs | vierendelen |
| vierendelend | onvoltooid deelwoord | vierendelen |
| vierendelende | woordvorm | vierendelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vierendelen zijn vastgelegd.