vieren
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈvirə(n)Betekenis
- op plechtige of feestelijke wijze een gedenkwaardige tijd gedenken
- de lengte van een touw of kabel waaraan iets vastzit langer maken
- van vier: bij tijdsaanduidingen na voorzetsels
Hoe spreek je vieren uit?
/ˈvirən/
Vieren bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| i | riet |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- de lengte van een touw of kabel waaraan iets vastzit langer maken (bijv. in de scheepvaart) transitive
Vervoeging van vieren
vierenhele werkwoord — vierdeverleden tijd enkelvoud — vierdenverleden tijd meervoud — gevierdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vier | vierde |
| jij | viert | vierde |
| hij, zij, het | viert | vierde |
| wij | vieren | vierden |
| jullie | vieren | vierden |
| zij | vieren | vierden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gevierd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevierd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevierd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevierd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevierd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevierd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevierd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevierd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevierd | verleden tijd, deelwoord |
| gevierd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevierd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevierd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevierd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevierd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevierd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevierd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vieren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vier | gebiedende wijs |
| vierde | verleden tijd |
| viere | aanvoegende wijs |
| vierend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevierd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vieren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vieren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevierd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vieren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
zelfstandig naamwoord
- datief van vier: bij tijdsaanduidingen na voorzetsels
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vier
Herkomst
ww [1]: via Middelnederlands vieren ww en Oudnederlands firon ww van Latijn feriari ww "een rustperiode nemen", in de betekenis "een rustdag nemen" aangetroffen vanaf 1151-1200
Woordfamilie van vieren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vierden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vieren |
| viere | aanvoegende wijs | vieren |
| vierend | onvoltooid deelwoord | vieren |
| vierende | woordvorm | vieren |
| viert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vieren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vieren zijn vastgelegd.